Beurscrash Wallstreet

1929

Beurscrash Wallstreet

Op 1 november 1929 kwam het bestuur van de Amsterdamse beurs bijeen voor een spoedvergadering. Aanleiding was een petitie waarin 181 van de 795 leden verzochten de beurs op zaterdag 2 november dicht te houden. De beurzen van New York en Londen gingen immers ook twee dagen dicht wegens een beurscrash. De petitie werd verworpen. Sluiting van de beurs kon alleen in noodgevallen en kennelijk was daarvan geen sprake.

Na jaren van stijgende aandelenprijzen en een sfeer van het-kan-niet-op, begonnen maandagavond 21 oktober 1929 de koersen in New York te dalen. De Dow Jones had al een hoogste punt bereikt op 19 september, maar gaandeweg vielen steeds meer kritische commentaren te beluisteren. Waren die koersen nog wel een reële afspiegeling van de economische situatie? Er hadden zich immers een paar grote faillissementen voorgedaan en ook de werkloosheid nam toe. De kritiek kreeg steeds meer gewicht. De dagen na 21 oktober zette de daling zich in versneld tempo voort, met als dieptepunt donderdag 24 oktober: Zwarte Donderdag. Beleggers raakten in paniek en probeerden hun stukken te dumpen. Scherpe koersdalingen gingen door tot 13 november. Toen had de Amerikaanse beurs 48% van zijn waarde verloren.

In dezelfde periode daalde de Amsterdamse CBS-index, zegmaar de AEX-index van toen, met 15%. Een duidelijk signaal dat de Nederlandse economie nog niet zo afhankelijk was van wat er in Amerika gebeurde. Toch deed de crisis ook in Nederland zijn intrede. In de tweede helft van 1930 gingen er geen bedrijven meer naar de beurs. De jaren dertig werden gekenmerkt door teruglopende bedrijfsresultaten, torenhoge werkloosheidscijfers, een verslechterend beursklimaat en een sterke terugloop van het aantal leden van de beurs. Tussen 1930 en 1940 halveerde het aantal in Amsterdam genoteerde ondernemingen tot circa 1500.