Eerste regels voor de aandelenhandel

1610

Eerste regels voor de aandelenhandel

Dankzij de VOC had Amsterdam de wereldwijde primeur van aandelenhandel. Als logisch vervolg hierop kreeg Amsterdam ook als eerste te maken met de keerzijde: speculatie en koersmanipulatie. Een ‘placcaet’ uit 1610 van de Staten Generaal verbiedt het wild speculeren op een koersdaling van het VOC-aandeel.  Voorzover bekend is dit de eerste wet met betrekking tot aandelenhandel ooit.

Tegenwoordig zouden we het hebben over een verbod op ‘naked short selling’. Een fenomeen dat in de 21e eeuw nog steeds actueel is. Een handelaar ziet daarbij dat de koers van een fonds een dalende lijn vertoont. Hij verkoopt de aandelen  van het fonds tegen de dan geldende prijs, maar bezit ze nog niet. Pas tegen de tijd dat hij moet leveren koopt hij de aandelen, die dan hopelijk goedkoper zijn geworden. Kort gezegd: hij verkoopt ze tegen de hoge prijs van gisteren, en levert ze tegen de lage prijs van vandaag.

Aanleiding voor het verbod uit 1610 waren de activiteiten van Isaäc le Maire, ooit grootaandeelhouder en bestuurder van de VOC, tot hij deze na ruzie verliet. Hij vond dat de VOC teveel geld besteedde aan de uitrusting van de vloot en te weinig keek naar de belangen van aandeelhouders. In die zin was hij een pionier op het gebied van corporate governance. Hij wilde daarom een concurrerende scheepvaartcompagnie oprichten, maar de overheid stond dit niet toe. Het handelsmonopolie van de VOC mocht niet worden doorbroken. Daarna vormde hij met anderen een beleggingsmaatschappij (“de Groote Compagnie”) die veel kenmerken vertoonde van tegenwoordige hedgefondsen. Naked short selling moest hem winst opleveren, maar bovenal wilde hij op deze manier de koers van het VOC aandeel negatief beïnvloeden. De overheid greep in met het ‘placcaet’.